Column

Onzekerheid in de Oosterstraat

Het zijn onzekere tijden. Aan alle kanten wordt er door de overheid aan de burgers getrokken.
We moeten onze woningen beter isoleren, minder gas verbruiken, warmtepompen en zonnepanelen installeren en onze benzineauto inruilen voor een elektrisch exemplaar. Als we al een auto hebben.
Op verjaardagsfeestjes is er altijd wel een neef die zit te snoeven over zijn zonnepanelen en die vervolgens zijn telefoontje toont waarop te zien is wat de opbrengst van de dag is.
En daar zit je dan als huurder. Je kunt niets laten zien en je kunt ook niets ondernemen. Je moet gewoon de steeds hogere rekeningen van het energiebedrijf betalen.

Als huurder ben je afhankelijk van de verhuurder. Van particuliere huisbazen hoeft je al niets verwachten en van de woningbouwverenigingen is het ook problematisch of ze wat doen.
De meeste woningbouwverenigingen zitten op hun handen. Het is niet alleen dat ze niets doen aan energiebesparing voor de huurders, ze lijken ook niets meer te doen aan structureel onderhoud.
Want als je nu een onderhoudsplan maakt, dan moeten de woningen toekomstbestendig zijn. Dat houdt in dat de woningen heel goed worden geïsoleerd en dat de gaskraan verdwijnt. Met de kennis van nu, is het al moeilijk genoeg om nieuwe woningen toekomstbestendig te maken, laat staan oude woningen.

Nogmaals de woningbouwverenigingen zijn nu bezig met het slopen van complexen uit de jaren vijftig en met een beetje mazzel bouwen ze een paar woningen terug voor de mensen met een laag inkomen. Aan het opknappen van complexen uit de jaren 70 en de jaren 80 komen ze voorlopig nog niet toe. Vaak zijn dit nog goed verhuurde woningen, maar qua energiegebruik zijn die woningen zo lek als een mandje. De eerste jaren zal er weinig gebeuren met dit soort complexen en dus zullen bewoners voorlopig blijven zitten met vochtige muren en schimmelplekken. Over niet al te lange tijd zijn deze woningen vijftig jaar oud en als er ooit plannen worden gemaakt voor dit soort complexen, zal het alternatief sloop zeker meedoen. Als er nu woningen worden verbeterd, worden de huurders eruit gebonjourd met een zakcentje van 6000 euro voor de verhuizing naar weer een oude woning, om plaats te maken voor huurders die hoge huren wel kunnen betalen. Kortom onzekerheid troef.

Onzekerheid speelt ook voor de bewoners in de Oosterstraat, de Villastraat en de Oostsingel.
Terwijl de bewoners bezig zijn om hun woning aan te passen zodat het energieverbruik lager is, kregen zij eind vorig jaar een brief van de gemeente dat het weleens afgelopen kan zijn met hun woningen. De gemeente had achter hun rug om een rapport laten maken met de vraag: “hoe ga je om met woningen waarvan het eind van de technische levensduur in zicht is en waar particuliere eigenaren individueel niet in staat zijn om oplossingen te vinden”. En vervolgens schrijft de gemeente “dat er mogelijk beleggers zijn die kansen zien om de eigenaren te ontzorgen”.
De gemeente denkt kennelijk dat er beleggers zijn die huizen wel eventjes opkopen om vervolgens een nieuwe woonwijk te realiseren. Een rare vorm van paternalisme om de eigenaren niet bij de plannen te betrekken en hen bovendien af te schilderen als een stel armoedzaaiers.
De gemeente heeft inmiddels per brief de kou wat uit de lucht gehaald, maar de toon is gezet.

Oké, de woningen liggen laag en als het heel hard regent komt het water sommige huizen binnen. Duidelijk is nu geworden dat de gemeente af wil van hun zorgtaak om die huizen droog te houden.
De bewoners zijn kwaad. Al jaren zijn zij met de gemeente bezig om tot goede plannen te komen. Veelal zijn het echter lapmiddeltjes, want voor een duurzaam behoud moet er eigenlijk een soort van poldertje worden gemaakt voor deze woningen. Dat kost een paar centen, maar dan heb je ook wat.

Indien het geld zou kosten om de bewoners weer zekerheid te geven over hun woonsituatie, dan hoop ik dat de Postcodeloterij valt in de Oosterstraat en dat vooraf iedereen is ingefluisterd een lot te kopen.

J. Oosterling